Over het algemeen dient binnen zes weken bezwaar en of beroep te worden ingediend tegen een besluit. Wordt buiten die termijn een bezwaarschrift ingediend, dan is dat te laat en leidt dat tot de zgn. niet ontvankelijk verklaring. Aan een inhoudelijke beoordeling van het besluit wordt dan niet toegekomen.

Slechts in uitzonderlijke gevallen kan het bestuursorgaan of de rechter, ondanks de termijnoverschrijding, tot inhoudelijke behandeling van de zaak overgaan. Er dient dan sprake te zijn van een zogeheten “verschoonbare termijnoverschrijding”. Hier worden zware eisen aan gesteld.

Ter illustratie de onderstaande overwegingen uit een uitspraak van de Afdeling. De ABRvS heeft in deze uitspraak van 10 mei 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ4617 (vreemdelingenrechtelijke uitspraak) als volgt overwogen:

“De hoogste bestuursrechters hanteren alle als uitgangspunt (…) dat, in het geval van niet aangetekende verzending van een besluit of een ander rechtens van belang zijnd document, het bestuursorgaan aannemelijk dient te maken dat het desbetreffende stuk is verzonden. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt het vermoeden van ontvangst van het besluit of ander relevant document op dat adres. Dit brengt mee dat het bestuursorgaan in eerste instantie kan volstaan met het aannemelijk maken van verzending naar het juiste adres.

Indien het bestuursorgaan de verzending naar het juiste adres aannemelijk heeft gemaakt, ligt het vervolgens op de weg van de geadresseerde voormeld vermoeden te ontzenuwen. Hiertoe dient de geadresseerde feiten te stellen op grond waarvan de ontvangst redelijkerwijs kan worden betwijfeld.

Deze precisering van de benadering van het bewijs van ontvangst van niet-aangetekend verzonden stukken sluit aan bij de rechtspraak van de Hoge Raad en draagt aldus bij aan de rechtseenheid in het bestuursrecht (zie HR 15 december 2006, nr. 41882, LJN AZ 4416, BNB 2007/112 en HR 10 juli 2009, nr. 08/01578, LJN BG4156, BNB 2009/246)”

In het genoemde arrest BNB 2007/112 is wat betreft het ontzenuwen door de geadresseerde (belastingplichtige) overwogen:

“Hiertoe is niet vereist dat de belastingplichtige aannemelijk maakt dat de aanmaning niet op zijn adres is ontvangen of aangeboden; voldoende is dat op grond van hetgeen de belastingplichtige aanvoert ontvangst of aanbieding redelijkerwijs moet worden betwijfeld (…). Het staat de feitenrechter vrij om zodanige twijfel gerechtvaardigd te achten op grond van naar zijn oordeel geloofwaardige ontkenning door de belastingplichtige dat de aanmaning op zijn adres is ontvangen of aangeboden. Slaagt de belastingplichtige erin eerdergenoemd vermoeden te ontzenuwen, dan zal de ontvangst of aanbieding van de aanmaning slechts aannemelijk geoordeeld kunnen worden indien de inspecteur daarvan nader bewijs levert.”

Auteur: mr. M. el Hachmioui